Wanneer u van plan bent om te gaan klussen met elektriciteit moet u aan uw eigen veiligheid denken. Op deze pagina vind u alle informatie die u nodig heeft om veilig met electriciteit om te gaan. Daarnaast leest u over schakelaars, kleuren van de electriciteitsdraden, zekeringen en het plaatsen van een stopcontact

Algemene tips

    • Zorg dat de spanning van de installatie af is voordat u eraan gaat werken
    • Schakel de elektriciteit uit door de hoofd- of groepsschakelaar om te zetten, of door de zekeringen te verwijderen
    • U kunt met een spanningszoeker of u de juiste groep(en) heeft uitgeschakeld
    • Zet nooit spanning op een elektriciteitsleiding die nog niet is afgewerkt
    • Draag bij het klussen bij voorkeur schoenen met rubber zolen
    • Werk nooit met vochtige of natte handen
    • Gebruik altijd goed gesoleerd gereedschap
    • Leg een zaklantaarn in de meterkast zodat u bij duisternis niet in het donker op de tast te werk hoeft te gaan.
    • Slaat er een zekering door? Schakel de stroom pas in als de oorzaak van het defect is verholpen. Weet u niet welk apparaat de zekering heeft doen doorslaan? Haal dan alle stekkers uit de stopcontacten en maak de zekering in orde. Sluit de apparaten één voor één aan totdat de zekering opnieuw uitgeschakeld wordt. In deze laatste zit de fout.
    • Brengt u zelf ingrijpende wijzigingen aan, laat die dan door een vakman controleren. Eventueel kunt u ook het afmonteren en het aansluiten aan de vakman overlaten.

ZEKERINGEN
De meest gebruikte zekeringen zijn stoppen van 16 ampère, herkenbaar aan een grijs verklikkertje. Daarnaast is zijn er nog zekeringingen van 10 ampère (rood verklikkertje) en 6 ampère (groen verklikkertje). Aan de hand van het ampèrage kunt u uitrekenen wat het maximale vermogen (Watt) van zon groep is:

6(Ampère) x 220 (Volt) = 1320 (Watt)

10 x 220 = 2200

16 x 220 = 3520

Als u gaat klussen, is het handig om direct te zien welke groep u uit moet schakelen. Hang een briefje in de stoppenkast met daarop wat op welke groep zit.

Een extra stopcontact maken
Wanneer u een extra stopcontact gaat aanleggen moet u zorgen dat de stroom is afgesloten. Sinds juli 1997 mogen uitsluitend nog stopcontactdozen met randaarde aangelegd worden, ook in woon- en slaapkamers. In ruimten met stenen vloeren, keukens, badkamers, kelders, garages, schuren en buitenshuis was deze extra beveiliging altijd al verplicht. Het betekent dat de contactdoos aangesloten moet zijn op een beschermleiding, zodat bij kortsluiting de stroom ongehinderd een uitweg kan vinden. Deze beschermleiding is gekoppeld aan de koperen waterleiding (in oudere huizen) of een aardelektrode, een metalen staaf die diep de grond in gaat.

Bij het normaaldozensysteem (Hierbij is sprake van een keten van lasdozen die de bedrading doorverbinden. Alle stopcontacten, schakelaars en lichtpunten zijn aangesloten op de dichtstbijzijnde lasdoos. Uitbreidingen zijn eenvoudig, omdat dit systeem vaak in het zicht is geïnstalleerd) onderbreekt u de bedrading tussen twee lasdozen, zaag de buis door, plaats er een nieuwe lasdoos bij en trek vandaar een leiding naar het stopcontact.

Bij het centraaldozensysteem (Bij het moderne contactdozensysteem komt de groepsleiding uit op een centraal geplaatste lasdoos, waarop alle stopcontacten, schakelaars en lichtpunten (soms ook een tweede centraaldoos) zijn aangesloten. Dit systeem is vaak geheel of gedeeltelijk weggewerkt in plafond en muren (inbouw). Uitbreidingen zijn ook mogelijk volgens het normaaldozensysteem. In de loop der tijd zijn sommige draadkleuren veranderd. Let dus extra op als u oude en nieuwe draden met elkaar verbindt. De stroomdraad was groen, maar is nu bruin. De nuldraad was rood, maar is nu blauw. De aardedraad was grijs, maar is nu geel/groen. De zwarte schakeldraad en de niet-geïsoleerde blanke aardedraad zijn gelijk gebleven) legt u de leiding aan van het stopcontact naar de centrale doos.

Een derde mogelijkheid is om een stopcontact te vervangen door een lasdoos, waardoor u maximaal vier aansluitmogelijkheden creëert.

In alle gevallen dient u als volgt te werk te gaan:
Teken de plaats van de dozen en het leidingverloop op de muur af. Verwijder de bestaande bedrading en monteer de lasdoos. Steek hierin de benodigde buizen en bevestig die met zadels op de muur. (om de veertig centimeter, en bij de lasdoos of stopcontacten een extra beugel op 10 cm.) Trek met een trekveer de draden door de buis en laat de einden 10 cm uitsteken. Verwijder met een striptang 1 cm isolatie en verbind draden met dezelfde kleur, door de aders in een lasklem te steken of ze met een tang in elkaar te draaien en van een lasdop te voorzien. Er mag geen koper meer zichtbaar zijn. Druk de verbindingen netjes in de lasdoos en schroef het deksel erop. Monteer aan het andere buiseinde de contactdoos. Verwijder ook hier ca. 1 cm isolatie en zet elk draadeind vast in een klem of contactschroef. De bruine draad komt op het aansluitpunt met de P, de geel/groene op die met het aardeteken (in het midden). Schroef het geheel tegen de muur en plaats de afdekkap.

Opbouw en inbouw van leidingen
Het aanbrengen van de leidingen in het zicht is niet de mooiste oplossing, maar wel verreweg de eenvoudigste. In plaats van de ronde PVC-buis kunt u ook decoratieve platte buis en hoekstukken gebruiken. (zogenaamde K25-goten) Voor inbouwmontage maakt u daar, waar de leidingen komen te liggen sleuven en uitsparingen in de muur. Zet de buizen vast met gebogen spijkertjes en trek eerst de bedrading. Herstel daarna de muur met specie, die u goed laat uitharden. Sluit de lasdoos aan, evenals de contactdoos die u tenslotte vastzet in de inbouwdoos.

Tip: Door een te dikke stuclaag kan de inbouwdoos te diep zitten.  Plaats opvulringen om de inbouwdoos op het juiste niveau te brengen.

Schakelaars
De mogelijkheden met schakelaars en schakelmogelijkheden zijn zo divers, dat we er hier niet al te diep op ingaan. Werk in ieder geval volgens de gebruiksaanwijzing. Alleen bij tweepolige schakelaars mogen de blauwe draden op de schakelaar worden aangesloten. Merk bij wisselschakelaars met drie zwarte draden de draad die is aangesloten op de P-klem met een stukje tape. De andere twee zwarte draden mogen verwisseld worden.

Vervangt u een schakelaar door een dimmer, kies dan een dimmer met de juiste, of een overcapaciteit. Schroef de schakelaar, de ring en de bruine en zwarte draad los. Sluit de draden volgens de gebruiksaanwijzing aan op de dimmer. Zet deze vast in de inbouwdoos en monteer de afdekplaat en bedieningsknop. Behalve op- en inbouwdimmers bestaan er ook snoer en tafeldimmers voor armaturen die op een stopcontact zijn aangesloten. Voor halogeenverlichting zijn er speciale dimmers in de handel.

Bij het monteren van een stekker verwijdert u eerst ca. 4 cm van de snoermantel. Verwijder met een striptang ca. 1 cm isolatie, draai elke ader afzonderlijk in elkaar (solderen is beter) en schroef ze in de contactpennen. Doe het snoer onder de trekontlaster en zet de stekkerhelften in elkaar. Een snoer aansluiten op een fitting komt op hetzelfde neer, net zoals het aansluiten van een schakelaar. Hier knipt u, afhankelijk van het type, één of beide aders door.

Tip: Als uw dimmer niet meer functioneert, kan het zijn dat de zekering in de dimmer stuk is. Open de dimmer, en vervang de zekering. Een brommende dimmer staat te laag; verhoog de lichtsterkte een beetje.

Een lamp ophangen
Hang een plafondlamp altijd aan een haakje, en nooit alleen aan de installatiedraden. Verbind installatiedraden en lampdraden met een kroonsteentje. Sluit u de lamp aan op een centraaldoos, verleng dan zonodig, na verwijdering van de afdekplaat, met een lasdop de zwarte schakeldraad. Maak op de bestaande lasdop van de blauwe nuldraad een aftakking. Zet de afdekplaat terug en monteer het kroonsteentje. Als u de lamp verder van de centraaldoos af wilt monteren, leidt het snoer dan langs het plafond. Hang de lamp aan een los, in het plafond aangebrachte haakje.

Ook leuk om te lezen